Claudia Jakobsen
John Lanting
Orkest Tango Dorado
Mabel González
Madonna Ciccone
Katrien Karimoen
Miss Flora Gattina




Van klezmer naar tango

De invloeden van de joodse muziek in de tango

De invloed van de Joodse cultuur in de ontwikkeling van de tango is niet gering. Vele Joodse musici hebben tango’s gecomponeerd, gepubliceerd en gespeeld. Soms onder heel barre omstandigheden, zoals in concentratiekampen. De nazi’s dwongen er joodse musici tango's te spelen als er gevangenen geëxecuteerd werden. Een verhaal over klezmer, ontworteling, theater en de wil om te leven.

In de 17e eeuw verschenen de eerste joden in Buenos Aires, en tijdens de 19e eeuw kwam een kleine emigratie naar Argentinië op gang van joden uit West-Europa die vluchtten voor revoluties en oorlogen. De grootste emigratiegolf kwam op gang na 1890, toen de Argentijnse regering na het uitmoorden van de indianen zat nu te springen om geschoolde arbeidskrachten uit Europa om het uitgestrekte land te ontginnen, en de mensen in Europa door de armoede thuis vaak geen toekomst neer zagen. Het waren voornamelijk immigranten uit Italië, Spanje, Frankrijk, maar ook veel Oost-Europese Joden uit Polen en Rusland die de pogroms wilden ontvluchten.
Joodse Kolonisatie Associatie
De toenmalige Argentijnse regering zocht toenadering met rabbi's uit de Oekraïne om de emigratie op gang te brengen, en sloot uiteindelijk een overeenkomst met de Joodse filantroop Baron Hirsch in Parijs om dit te bewerkstelligen. Hirsch financierde de emigratie middels zijn opgerichte Joodse Kolonisatie Associatie, en kocht 600.000 hectare grond in Argentinië zodat de joodse immigranten aldaar konden boeren.
Er zijn gedurende 1900 en 1940 250.000 Joden naar Argentinië geëmigreerd. Na New York had Buenos Aires de grootste Joodse gemeenschap van de westerse wereld. Joodse wijken als Balvanera, Abasto, Villa Crespo, Paternal zijn – niet toevallig – ook de districten waar de tango tot bloei kwam.
Vele Joodse musici, vooral violisten
Gelijktijdig met deze enorme immigratie van Europeanen is de tango ontstaan, waarin Joodse musici zich niet onbetuigd lieten. Muziek speelt een belangrijke rol in de religieuze joodse cultuur, want volgens hen brengt muziek en dans de mens tot God. In de synagoge en tijdens religieuze feesten wordt de gebeden niet opgezegd, maar gezongen. Onder de musici waren veel violisten. De viool was een populair instrument, niet in de laatste plaats omdat het zo makkelijk mee te nemen was (aangezien zij noodgedwongen nogal eens moesten verkassen). Het is ook een instrument dat de melodie makkelijk ten gehore kan brengen, wat in klezmer goed te beluisteren is.
Klezmermuziek
Joodse violisten uit Polen, Rusland en Roemenië vonden werk in de tangoscene. Ze waren geschoold in klassieke muziek of klezmer. Ze namen plaats in tango-orkesten, vaak tot verdriet van de jiddische mama’s die hun zonen liever zagen spelen in gerenommeerde orkesten dan met Italiaanse musici in bordelen of aftandse cafés. Want samen spelen en optrekken, betekende assimileren in de Argentijnse cultuur.
Klezmermuziek toont een aantal belangrijke overeenkomsten met de tango, zodat Joodse musici makkelijk konden schakelen. Het is daarom niet ondenkbaar dat klezmer invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de tango. De expressieve melodie in klezmer kan net als in de tango, zowel melancholisch als opgewekt klinken. In beide genres wordt het ongeluk in het leven bezongen: emigratie, heimwee, desperate situaties enzovoort . De sentimentele klanken van de viool klinken in de klezmermuziek net zo klagend als in de tango.
Hoewel ook de Argentijnse samenleving niet vrij was van anti-semitisme, speelde dit in de tango geen noemenswaardige rol. Toch namen veel joodse musici en tekstschrijvers een andere naam aan, wellicht omdat dit beter klonk in het Spaanstalig genre. Zanger Leon Zucker werd bijvoorbeeld Roberto Beltrán, Noej Scolnik werd Juan Pueblito, en Isaac Rosofsky werd Julio Jorge Nelson.
Van het bordeel naar het theater
Een belangrijke rol in de ontwikkeling van de tango van bordeelmuziek naar een respectabele muziekvorm was weggelegd voor de Jood Max Glücksmann. Hij was eigenaar van platenmaatschappijen en filmtheaters. Hij bracht de tango uit de bordelen en de sloppen naar de theaters. Hij verkocht de meeste muziek in Zuid-Amerika.
Jiddisch theater was in Buenos Aires enorm populair, niet alleen onder Joden, maar ook onder andere etniciteiten, vooral omdat aansprekende thema's als immigratie, assimilatie en armoede aan de orde kwamen. In de periode tussen 1930 en 1940 was na New York, Buenos Aires dan ook hoofdstad van het het Jiddische theater.
Ontworteld voelen
Toen de tango in het begin van de twintigste eeuw op langspeelplaten vastgelegd kon worden, vond de muziek de weg naar Europa. Daar sloeg het enorm aan. Op de radio klonk tango en kranten stonden bol van het nieuwe fenomeen. In het kielzog van de muziek reisden de Argentijnse Orquestas Típicas ook naar Europa. Ze traden op in dansgelegenheden en cabarets in Parijs, Berlijn en London. In 1914 werden dinner parties gehouden in het London Savoy Hotel, in Parijs namen vrouwen les van Argentijnse dansleraren. In een periode van economische crisis en oorlog zorgde de muziek voor veel verlichting. Bandonenonspeler Jose Schumajer en zanger Juan Carlos Cohan, beide van het orkest van Bachicha, waren beroemde Joodse artiesten.
De tangomuziek sijpelde ook door naar Oost-Europa. Beroemde tango's werden vertaald naar Oost-Europese talen, zoals El Choclo ook een Russische versie kent. In Polen werd de tango zo populair, dat de meeste, doorgaans Joodse musici zich op tango toelegden.
Een belangrijke reden waarom de tango zo aansloeg binnen de joodse gemeenschap, was dat de melancholie in de tango, de ontworteldheid van emigranten die vaak in tango's bezongen wordt, zo overeenkomt met de gevoelens van het Joodse volk.
Jiddische tango’s
De populariteit van tango wereldwijd zorgde ervoor dat in 1920 een gouden tijd aanbrak voor deze muziekvorm. Tango-orkesten floreerden, en Joodse musici, zangers en componisten begonnen nu een belangrijke rol in de muziek te spelen. Het is tevens de opkomst van tango's in het jiddisch. De bekendste zangers waren Jevel Katz, Max Perlman en Max Zalkind.
Zo bereikten ook Jiddische tango de ghetto's en shtetls in Oost-Europa. In 1919 zong Karol Hanusz 'De Laatste Tango' in een cabaret in Warschau. De tango begint met de zin: 'Onder de blauwe lucht van Argentinië'. Er kwam bijvoorbeeld ook een versie van Adiós Muchachos in het Pools. De broers Artur en Henryk Gold richtten samen met de bekende pianist en componist Jerzy Petersburski een orkest op om samen in populaire cabarets te spelen. De laatste heeft een tijd in Argentinië gewoond alwaar hij zich bekwaamde in tango's. Een van zijn beroemdste tango's is Tango Milonga, vandaag de dag beter bekend onder de naam O Donna Clara.
De tango in Oost-Europa vermengde zich gaandeweg met lokale Joodse muziek, zodat er een geheel eigen genre ontstond.
Componist Paul Godwin
De destijds zeer succesvolle Pools Joodse componist Paul Godwin (geboren Pinchas Goldfein) verkocht negen miljoen platen. Godwin voelde goed aan dat het publiek hongerig was naar verschillende stijlen. Hij schreef tango's met de titel Kitsch Tango en Der Michel wird nicht kluger durch den Krieg. In 1933 werd het vrijwel onmogelijk om als Jood in Duitsland te werken. Godwin vertrok naar Nederland alwaar hij uiteindelijk in het joodse ghetto van Amsterdam terechtkwam. Hij trad op in de Joodsche Schouwburg, die alleen bestemd was voor Joodse voorstellingen en Joods publiek.
Godwin werd uiteindelijk via de Joodsche Schouwburg gedeporteerd naar een concentratiekamp. Hij overleefde de oorlog en ging terug naar Amsterdam, waar hij toetrad tot het Holländischen Streichquartett in 1947. Sindsdien legde hij zich alleen toe op klassieke muziek. Op zijn hoogtepunt speelde hij zelfs met de beroemde violist Yehudi Menuhin.
Kaczerginsky’s verzameling aan ghettomuziek
De tango bleef in Oost-Europa lange tijd populair. Het was een uitdrukkingsvorm die goed paste bij de repressieve omstandigheden waarin Joden in Oost-Europa leefden. Bekende tangohits in Oost-Europa heetten niet voor niets Farges mikh nisht (Vergeet me niet) en Vu ahin zol ikh geyn’ (Waar zal ik naartoe gaan?). Tango's uit de ghetto's verhaalden over de slechte omstandigheden waarin Joden leefden.
De gepreoccupeerdheid van de nazi's over het Joodse volk kende geen grenzen. Zij gaven de Joodse Shmerke Kaczerginsky opdracht om alle Joodse liedjes en manuscripten uit de ghetto's te verzamelen om deze tentoon te stellen als zijnde van een verdwenen volk en cultuur. Kaczerginsky moest deze selecteren in Joodse archieven in Vilnia, maar ook in New York en Buenos Aires en opsturen naar Duitsland. Hij wist dit materiaal echter uit handen van de Duitsers te redden, zodat het na de oorlog gepubliceerd kon worden in Lider fun di getos und lagern (Liedjes uit ghetto's en concentratiekampen, 1948.)
Kaczerginsky schreef zelf ook gedichten, zijn bekendste gedicht 'Friling' (Lente) schreef hij na de dood van zijn vrouw. De componist Abraham Brodno schreef er een tango bij, het is een van de meest geliefde Jiddische tango's geworden.
Tango de la muerte in concentratiekampen
Niet alleen in de getto's werd tangomuziek gecomponeerd en geschreven, ook later in concentratiekampen was de tango een veel gebruikt genre. In de vernietigingskampen werden door de gevangenen orkesten geformeerd, genaamd Lagernkapellen. Deze bestonden uit amateur-musici en professionals. Allerhande muziek werd er gespeeld, maar een speciale rol was weggelegd voor de tango. De nazi's waren gecharmeerd van de tango als rustgevende muzieksoort, in tegenstelling tot een andere populair genre: jazz. Zij dwongen de Lagernkapellen tango's te spelen als er gevangenen geëxecuteerd werden of als zij naar de gaskamers geleid werden.
Men gaat ook heel anders luisteren naar de tango Plegaría (Gebed) van Eduardo Bianco als men weet dat juist deze tango veel gespeeld werd als gevangenen naar de gaskamers geleid werden. Bianco schreef de tango in 1929 in eerste instantie voor koning Alfonso XIII van Spanje die in dat jaar moest aftreden. Bianco, met nazisympathieën, herschreef de tango tien jaar later voor Hitler en Goebbels, om als hymne 'troost' te bieden aan de gevangenen die de dood tegemoet gingen. Hitler hield van de plechtige toon van de muziek, hij werd er sentimenteel van.
De wil om te leven
De Joodse dichter Paul Celan die gevangen zat in kamp Janowaska, vergat nooit de omstandigheden en de akkoorden van deze tango. Als hij na de oorlog vrijkomt, schrijft hij een van zijn mooiste en meest verschrikkelijke gedichten, getiteld Todesfuge als 'eerbetoon' aan de tango geschreven door Bianco. Er zijn meerdere tango's geschreven die De tango van de dood als titel hebben, waaronder een van Carlos Gardel. Maar Plegaría is de enige echte.
Er werden in de concentratiekampen ook nieuwe tango's geschreven, in de taal van de gevangenen: Jiddisch, Hebreeuws, Russisch, Pools, Frans, Roemeens, Hongaars of Duits.
De Italiaanse pianist Francesco Lotoro is na de oorlog op zoek gegaan naar tango die in de kampen geschreven is, om deze uit de vergetelheid te halen. Volgens hem schreven gevangen musici niet over de dood; hij heeft gemerkt dat de muziek vol leven zit, dat er hoop uit spreekt en de wil om te leven.

 
 
Vermaledijde tango!
De Ander
Moeder
Buenos Aires
Cosa d’Italiani
Zwi Migdal
Van klezmer naar tango
Arjan & Marianne
Birkit & Muzaffer